Dead men walkin’ and talkin’

Eind jaren '90 had ik de column Sporen in het muziektijdschrift Plastiks. Deze tekst is een soort in memoriam voor twee van mijn helden: Fela Kuti en Nusrat Fateh Ali Khan, allebei overleden in de zomer van 1997.
Sporen, Plastiks 17

De dagen worden al langer, de nachten zijn kil en koud, het zomeruur is weer opgeborgen samen met de zwembroeken, strandlakens en zonnecrème. Het is herfst en het is november.

Waren Allerheiligen en Allerzielen vroeger nog voldoende reden voor een regenachtige week vakantie, nu zijn die dagen pas echt triest. De muzikale ontdekkingsreiziger zou z’n ‘dag van de doden’ veel liever in Mexico vieren. Want daar is het dan echt feest, met muziek, dans, en heerlijke maaltijden die overdag geofferd en ‘s nachts verorberd worden. En met drank natuurlijk, veel drank, heel veel drank; lees er ‘Under The Volcano’ van Malcolm Lowry maar eens op na.

Bij de gevierde doden van afgelopen zomer zitten ook twee wereldmuzikanten: Fela Anikulapo Ransome Kuti en Nusrat Fateh Ali Khan. De ontdekkingsreiziger plugt de hoofdtelefoon in z’n Heiligen- en Zielen-apparatuur en luistert even mee.

– Ha, die Khan, hoe gaat het nu met je hart en longen?
– Dag Kuti, veel beter, dank u. En jij, ben jij je slepende ziekte nu ook kwijt?
– Vaneigens, maar nu ik je toch zie, vertel eens: ben jij eigenlijk familie van die Shere Khan uit Kipling’s ‘Jungle Book’, of  hoe zit dat?
– No sir, geen familie, maar ik ben ook wel een koning geweest, koning van de Qawwali , zo noemde ze me toch in Pakistan. En ook wel ‘Shanen-Shah-E-Qawwali’, de heldere ster van de Qawwali.
– En die ka-dinges, wat is dat voor iets: een volk of een land of wat?
– Nee, een Qawwal is de zanger van Qawwali en dat is dan weer van oorsprong de muziek van het Soefisme, een mystieke tak van de Islam. Religieuse muziek dus, waarbij teksten uit de Koran, de aanbidding van Allah, de profeet Mohammed of andere Moslim heiligen, de basis vormen voor repetitieve zang in een vraag en antwoord-stijl begeleid door een hypnotiserende combinatie van koorzang, harmonium, percussie en handgeklap.
– Hmm, lekker opzwepend dus, daar hou ik wel van.
– En toch is het eigenlijk meditatieve muziek die de luisteraar en de muzikant dichter bij God moeten brengen.
– Daar ben je nu dan wel bijzonder goed in geslaagd, maar vertel verder.
– Mijn familie, de Khans dus, zijn al meer dan zes eeuwen betrokken bij de ontwikkeling van die Qawwali-muziek. Je hebt misschien wel eens van m’n vader gehoord, Ustad Fateh Ali Khan; hij was een gereputeerde klassieke Qawwali zanger.
– En van hem leerde je de knepen van het vak?
– Min of meer wel, ja, maar zo eenvoudig is het eigenlijk niet. Toen ik klein was wilde m’n vader dat ik professor werd of dokter of zoiets, in elk geval geen muzikant. Maar ik volgde toch stiekem de lessen die m’n vader thuis gaf. Ik was nog geen negen of ik had de Qawwali-microbe al te pakken. Maar de beslissing om Qawwal te worden, kwam pas veel later. In 1965 overleed m’n vader, ik was toen zestien. Tien dagen na z’n dood bezocht hij mij in m’n dromen: hij raakte m’n keel aan en nam me mee naar Rajasthan in India om er te zingen in een Islamitisch heiligdom waar nooit eerder Qawwali te horen was geweest. Die droom was het teken die mij deed besluiten om Qawwal te worden en me bij mijn ooms toe te leggen op de studie van de klassieke Qawwali. Veertien jaar later zou het visoen uit mijn droom trouwens ook echt … hé Kuti, je zit te suffen, man!
– Uh, hm, wat?
– Ik doe hier m’n levensverhaal uit de doeken, en meneer zit een beetje te dromen, fraai is dat.
– Och, ik was net aan m’n eigen jeugd aan het denken. Toen jij in ‘48 werd geboren, was ik net tien jaar oud. Mijn vader was een schooldirecteur die in z’n vrije uren wat piano speelde, maar m’n grootvader was in zijn tijd een beroemde componist in Nigeria. Behalve voor haar anti-koloniale en nationalistische ideeën stond de Ransome Kuti familie trouwens bekend om haar muzikale talent.
– Aha, dat verklaart die extreme politieke stellingname in je muziek, waar iedereen het altijd over heeft en die je een paar jaar in de bak heeft doen belanden.
– Precies, en dan te denken dat ook mijn vader een dokter in mij zag. Hij stuurde me zelfs naar London om er te gaan studeren. Maar daar aangekomen heb ik me ingeschreven op het Trinity College of Music en in vier jaar tijd voltooide ik mijn studies piano, compositie en muziektheorie.
– Ben je dan in London blijven hangen of niet?
– Nee, nee, nee, na mijn studies ging ik terug naar Nigeria, samen met m’n band Koola Lobitos die ik ondertussen had opgericht. En sindsdien ging het me steeds beter af in de muziek-biz. Ik zong en speelde trompet, sax en toetsen, en ontwikkelde mijn eigen stijl, …
– De ‘Afrobeat’.
– Ja, de ‘Afrobeat’, waarin ik elementen uit de Nigeriaanse traditionele muziek mixte met wat highlife, jazz en rhythm & blues, funk en soul…
– James Brown
– Ja, die ook, maar dan wel op z’n Afrikaans, want ik vind dat veel muzikanten van hier hun roots verloochenen.
– Maar je ging in ‘69 wel naar Los Angeles om daar een plaat op te nemen.
– Natuurlijk, waarom niet? Trouwens, meneer de koning Khan, jouw samenwerking met die Britse knul en z’n Real World label, dat komt toch op hetzelfde neer? Je gaat nu toch niet de purist uithangen, hè.
– Verre van, ik heb altijd geprobeerd om die eeuwen oude Qawwali te vernieuwen, zij het met respect voor de traditie. In het begin beperkte zich dat tot het opdrijven van het tempo, later werden de religieuse onderwerpen meer en meer vervangen door liefdesperikelen, en de jongste jaren werkte ik niet alleen voor de Aziatische filmindustrie, maar ook voor Hollywood…
– O ja, dat duet met Eddie Vedder van Pearl Jam in ‘Dead Man Walking’,
– Precies, en dan was er nog Michael Brook…
– Die van die hit ‘Mustt Mustt’ van jou?
– Ja, die Canadese producer waarmee ik ook m’n laatste cd voor Real World heb gemaakt, ‘Night Song’. Dat was leuk maar met Qawwali had eigenlijk niet veel meer mee te maken.
– In je moderne werk, ben je ook afgestapt van die vraag-en antwoord-zang. Ik niet, ik heb dat toch altijd in mijn muziek gehouden. Dat was, denk ik, ook één van de elementen die echt sterk waren in mijn…
– Okee heren, genoeg gestoefd nu! Een beetje bescheidener zou ook wel kunnen.
– Eh pardon, wie bent u? En wat moet u hier?
– M’n beste meneer Kuti, ik vertegenwoordig de rouwende gemeenschap, ik vier hier de ‘dag van de doden’, op z’n Mexicaans wel te verstaan. Nog een Corona voor u? En u, sire Khan? Nu u zo dicht bij god bent, mag een beetje alcohol toch wel? Laten we nu even ophouden met over werk te spreken. Hebben de heren de pikante pompoensoep al geproefd met die overheerlijke knoflookbroodjes en …

De muzikale ontdekkingsreiziger zet z’n Heiligen- en Zielen-apparatuur maar weer uit, de hoofdtelefoon legt hij naast zich neer, en hij schrijft in z’n logboek:

Deze zomer overleden twee grote sterren van de wereldmuziek. Fela Anikulapo Ransome Kuti en Nusrat Fateh Ali Khan. De eerste zal ik nooit vergeten dankzij dat prachtige nummer ‘African Lady’; op naam van de tweede staat één van de allereerste wereldmuziek-platen die ik ooit kocht.

In de jaren ‘70 en ‘80 zorgde Kuti voor de doorbraak van Afrikaanse popmuziek in Europa en Amerika. In de jaren ‘80 en ‘90 was Khan een katalysator in de ontwikkeling van het concept wereldmuziek, en de groeiende interesse voor Aziatische muziek.

Met Fela verliest de Afropop een van haar pioniers. En Nusrat, die zo goed vernieuwing en traditie wist te combineren, ook hij is verdwenen, wat blijft is de magie van zijn muziek.

verschenen in Plastiks, november 1997

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: